Begin bij het leerdoel
Een totaalverbod op AI klinkt duidelijk. In de praktijk lost het weinig op.
Leerlingen kunnen buiten school gewoon bij AI-tools. Daarnaast zijn er opdrachten waarbij AI juist onderdeel kan zijn van wat je een leerling wilt leren. Denk aan het controleren van een AI-antwoord op fouten, feedback vragen op een eigen tekst of verschillende bronnen met elkaar vergelijken.
De eerste vraag zou daarom niet moeten zijn of AI wel of niet mag.
De eerste vraag is: wat moet de leerling hier leren?
Bij het ontwikkelen van schrijfvaardigheid wil je bijvoorbeeld kunnen zien wat een leerling zelf kan. Hetzelfde geldt voor basisvaardigheden zoals rekenen, redeneren en argumenteren. Bij andere leerdoelen kan AI juist een rol krijgen, bijvoorbeeld bij bronnenonderzoek, revisie of het kritisch beoordelen van AI-output.
Vanuit het leerdoel bepaal je vervolgens welke rol AI bij de opdracht krijgt.
Maak bij iedere opdracht duidelijk wat met AI mag
Een leerling zou niet zelf hoeven gokken of ChatGPT bij een opdracht is toegestaan.
Daarom adviseren we om binnen de school met één herkenbaar model te werken:
1. AI niet toegestaan
De leerling voert de opdracht zelfstandig uit zonder generatieve AI. Dit past bijvoorbeeld bij opdrachten waarin je een basisvaardigheid wilt oefenen of beoordelen.
2. AI toegestaan voor een specifiek doel
De docent geeft precies aan waarvoor AI gebruikt mag worden. Bijvoorbeeld voor brainstormen, spelling controleren of feedback vragen op een eerste versie.
3. AI verwacht
Het werken met AI is onderdeel van de opdracht. Een leerling moet bijvoorbeeld een AI-antwoord controleren, verschillende antwoorden vergelijken of laten zien hoe hij AI heeft gebruikt.
Het belangrijkste zit in categorie twee.
“AI beperkt toegestaan” is namelijk nog steeds onduidelijk. De ene leerling denkt dan dat alleen spellingcontrole mag, terwijl een andere leerling een volledige eerste versie laat schrijven.
Schrijf daarom bij de opdracht wat wél mag.
Kennisnet adviseert eveneens om bij een opdracht vooraf af te spreken hoe leerlingen AI mogen gebruiken, en om het gebruik van AI altijd te laten vermelden.
Dan hoeft een leerling niet zelf de grens te bepalen.
Zes regels die een leerling wél begrijpt
Beleidsteksten zijn nodig voor de organisatie. Een leerling heeft er weinig aan als daarin staat dat “generatieve AI uitsluitend wordt ingezet wanneer dit expliciet is toegestaan”.
Vertaal beleid daarom naar afspraken die een leerling tijdens een opdracht daadwerkelijk kan gebruiken.
Bijvoorbeeld:
- Staat er bij een opdracht niet dat AI mag? Dan mag het niet.
- Heb je AI gebruikt? Beschrijf waarvoor en hoe je dat hebt gedaan.
- Je moet alles wat je inlevert mondeling kunnen uitleggen.
- AI kan dingen verzinnen. Controleer feiten en bronnen.
- Zet geen namen, foto’s of berichten van anderen in een AI-tool en maak geen beelden of stemmen van echte mensen.
- Op school werk je met de AI-tool en het account van school.
Deze zes regels kun je als school overnemen en aanpassen. Voor het primair onderwijs moeten ze verder worden vereenvoudigd en hoort gebruik sterker onder begeleiding plaats te vinden.
De derde regel is daarbij misschien wel de makkelijkste om steeds opnieuw te gebruiken:
Je moet mondeling kunnen uitleggen wat je hebt ingeleverd.
Dat maakt het gesprek over AI een stuk concreter.
Maak het leerproces zichtbaar
Een docent kan bij een werkstuk dat thuis is gemaakt nooit volledig controleren of een leerling AI heeft gebruikt.
Daarom is alleen bepalen dat AI verboden is onvoldoende.
Je kunt de opdracht zo inrichten dat je tijdens het proces al meer van het werk van de leerling ziet. Laat bijvoorbeeld een eerste opzet in de les maken, vraag om een tussenversie of laat een leerling kort toelichten waarom bepaalde keuzes zijn gemaakt.
Bij een belangrijk werkstuk kan een mondelinge vraag soms meer vertellen dan een detector.
Kennisnet noemt onder andere authentieke ontmoetingen, zichtbare denkstappen en verschillende uitingsvormen als manieren om het leren zichtbaar te houden.
Dat hoeft niet te betekenen dat iedere opdracht ineens uit vijf controlemomenten bestaat.
Begin bij opdrachten waar iets op het spel staat. Bijvoorbeeld een werkstuk, verslag of PTA-onderdeel dat meetelt voor een cijfer.
Gebruik een AI-detector nooit als bewijs
Een leerling levert een opvallend goed geschreven tekst in. De docent haalt hem door een AI-detector en krijgt een score van 87%.
Is daarmee bewezen dat de leerling AI heeft gebruikt?
Nee.
Kennisnet waarschuwt dat AI-detectors onbetrouwbaar zijn. Ze geven veel valspositieven, waardoor menselijke teksten als AI-tekst worden aangemerkt, en ze zijn eenvoudig te omzeilen. Onderzoek van Liang en collega’s (2023) liet daarnaast zien dat zeven veelgebruikte detectors Engelse teksten van niet-moedertaalsprekers opvallend vaak verkeerd als AI-tekst classificeerden. Voor Nederlandstalige leerlingteksten hebben we geen vergelijkbaar onderzoek gevonden.
Een detectorscore hoort daarom nooit het bewijs te zijn waarop je een leerling van fraude beschuldigt.
Heb je een vermoeden? Begin met het werk zelf.
Vraag een leerling waarom een bepaalde keuze is gemaakt. Laat een alinea toelichten. Stel een inhoudelijke vervolgvraag. Kijk naar eerdere versies als die beschikbaar zijn.
Leg vervolgens vast wat je daadwerkelijk hebt waargenomen.
Pas daarna komt een eventuele fraudeprocedure in beeld, inclusief hoor en wederhoor.
Daar moet vooraf een schoolbrede lijn voor zijn. Een leerling zou bij dezelfde situatie niet bij docent A een onvoldoende moeten krijgen en bij docent B alleen een vraag om uitleg.
Het bestuur bepaalt de grenzen, de school maakt ze concreet
Niet iedere afspraak hoeft op bestuursniveau te worden bepaald.
Bestuursbreed kun je bijvoorbeeld regelen welke AI-tools zijn goedgekeurd, welke accounts worden gebruikt, hoe privacy en contracten zijn geregeld en welke lijn de organisatie hanteert bij vermoedens van ongeoorloofd AI-gebruik.
Ook keuzes over leeftijdsgrenzen en toezicht horen daar thuis.
Vervolgens kunnen scholen binnen die kaders bepalen hoe AI terugkomt in verschillende vakken en leerjaren, hoe het wordt opgenomen in het toetsbeleid en hoe leerlingen en ouders worden geïnformeerd. Docenten houden vervolgens ruimte om per opdracht te bepalen welke rol AI krijgt.
Dat voorkomt twee uitersten.
Je wilt geen bestuur dat voor iedere les voorschrijft wat een docent met AI moet doen. Je wilt ook geen situatie waarin dertig docenten ieder hun eigen regels bedenken.
De schoolbrede taal is hetzelfde. De toepassing verschilt per opdracht.
Vraag leerlingen niet zomaar een privé-account aan te maken
Ook de keuze voor de tool verdient aandacht.
Een opdracht als “maak een account aan bij deze AI-tool en probeer hem thuis uit” lijkt onschuldig. Voor een school spelen er vragen over persoonsgegevens, accounts en de voorwaarden waaronder een leverancier gegevens verwerkt.
SIVON adviseert om leerlingen jonger dan 13 jaar niet zelf met AI te laten werken. In het voortgezet onderwijs adviseert SIVON een gecontroleerde omgeving, zoals een schoolaccount, zonder persoonsgegevens.
Richt opdrachten daarom zo in dat een privé-AI-account niet nodig is, of gebruik een door de school goedgekeurde voorziening waarvan de privacykant is geregeld. Voor de precieze juridische beoordeling hoort een school de FG en actuele informatie van partijen zoals SIVON te betrekken.
Voor leerlingen kan de afspraak veel eenvoudiger zijn:
Op school gebruik je de AI-tool en het account dat de school hiervoor beschikbaar stelt.
In het po zijn andere afspraken nodig dan in het vo
Een leerling uit groep 6 heeft andere afspraken nodig dan een leerling uit 5 havo.
In het primair onderwijs ligt de nadruk sterker op begeleid gebruik. AI kan bijvoorbeeld klassikaal worden ingezet om samen te onderzoeken waarom een chatbot soms een verkeerd antwoord geeft. Leerlingen leren dan over AI zonder zelfstandig allerlei externe tools te hoeven gebruiken.
In het voortgezet onderwijs neemt die zelfstandigheid toe. Daar wordt het belangrijker dat leerlingen per opdracht weten wat is toegestaan en leren verantwoorden hoe ze AI hebben ingezet.
Ook toetsbeleid en het PTA spelen daar een grotere rol.
Een schoolbestuur hoeft dus niet één leerlingenprotocol te schrijven dat van groep 1 tot en met 6 vwo exact hetzelfde is.
De uitgangspunten kunnen gelijk zijn. De vertaling naar leerlingen verschilt.
Maak afspraken niet alleen over wat niet mag
Als alle AI-afspraken beginnen met “niet toegestaan”, “verboden” en “mag alleen als”, geef je leerlingen vooral mee waar de grens ligt.
Terwijl scholen ook een andere opdracht hebben: leerlingen leren omgaan met een technologie die ze buiten school al tegenkomen.
Kennisnet adviseert scholen om leerlingen in het vo te leren veilig en verantwoord met AI te werken. Het nieuwe raamwerk AI-geletterdheid van Kennisnet volgt daarbij de opbouw van de kerndoelen digitale geletterdheid: kundig, kritisch en creatief.
Neem daarom ook opdrachten op waarin leerlingen AI juist moeten gebruiken.
Laat ze bijvoorbeeld eerst zelf een antwoord formuleren en daarna het antwoord van AI controleren. Laat ze fouten zoeken in een gegenereerde tekst. Of laat ze feedback vragen op hun eigen werk en vervolgens beargumenteren welke feedback ze wel en niet overnemen.
Dan leren leerlingen iets wat ze ook buiten school nodig hebben: AI gebruiken zonder automatisch aan te nemen dat de output klopt.
Je hoeft niet te wachten op een volledig AI-beleid
Je kunt weken discussiëren over een uitgebreid protocol, terwijl de ontwikkelingen razendsnel door blijven gaan.
Begin daarom met één afspraak die iedere docent kan toepassen:
Bij elke opdracht staat of AI mag en zo ja, waarvoor.
Start met opdrachten die meetellen voor een cijfer. Loop bijvoorbeeld de werkstukken en PTA-onderdelen voor dit schooljaar langs en maak daar de verwachtingen expliciet.
Daarna kun je verder met de lijn rond vermoedens van fraude, de goedgekeurde tools en accounts, communicatie naar ouders en de verwerking in toetsbeleid en examenreglement.
Zo ontstaat beleid vanuit situaties die leerlingen en docenten iedere dag tegenkomen.
En weet een leerling bij de volgende opdracht eindelijk gewoon waar hij aan toe is.
Zijn de afspraken over AI binnen jullie scholen nog afhankelijk van de docent die voor de klas staat? NOBRAINERS helpt schoolbesturen en scholen om duidelijke kaders voor AI op te stellen en deze te vertalen naar afspraken waar medewerkers én leerlingen mee kunnen werken.
Transparantievermelding
Deze blog is deels met hulp van AI opgesteld. De inhoud is daarna door NOBRAINERS beoordeeld, aangescherpt en redactioneel gecontroleerd. AI is gebruikt als ondersteuning bij onderzoek, structuur, formulering en SEO. De inhoudelijke keuzes, duiding en eindredactie liggen bij NOBRAINERS.
Bronnen
Voor deze blog is gebruikgemaakt van onderzoek en publicaties van onder andere Kennisnet en SIVON en van de Monitor Digitalisering Onderwijs 2025. Claims waarvoor we geen sterke of specifiek Nederlandse onderbouwing vonden, hebben we bewust weggelaten.
Kennisnet: Monitor Digitalisering Onderwijs 2025
Kennisnet: Schoolafspraken over het gebruik van generatieve AI
Kennisnet: Toetsing en generatieve AI in het voortgezet onderwijs
SIVON: Veelgestelde vragen over AI
Liang e.a. (2023): GPT detectors are biased against non-native English writers